06-01-04

Beschouwingen over de natuur en de mens geschreven door C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)

Beschouwingen over de natuur en de mens

Curieus is 't toch dat de natuur
Al wat de mensen hier bederven
Met hare vriendelijke verven
Wel weer terecht brengt - op den duur!

Een paviljoentje, of andre taart
- Een klerenmagazijn bijvoorbeeld -
Is nog maar niet voorgoed veroordeeld,
Maar wordt juist mettertijd wat waard.

Ja zelfs een standbeeld in ons land
- Iets op zichzelf betreurenswaardigs -
Krijgt op den duur toch wel iets aardigs,
Ja: wordt iets liefs - langzamerhand.

Alleen de mensen in persoon,
Met hunne smaken en vermaken,
Horen tot de verloren zaken: -
Die vallen tè veel uit de toon!

De man is 't lelijkste produkt:
Gekleed als op de modeplaten
- De andren dan nog daargelaten -
Is hij toch wel het meest mislukt!

Ook aan de vrouwen - van fatsoen
- De onfatsoenlijke uitgezonderd,
Die geen fatsoenlijk mens bewondert -
Kan de natuur niet veel meer doen:-

Zij hebben wat van Eva beet,
Maar schijnen van 't oorspronkelijke
Toch wel wat héél ver af te wijken -
Behalve dan, soms, uitgekleed.

Eerst als de mens is heengegaan,
Aan 't einde van zijn lelijk liedje,
En sluimert onder een margrietje,
Doet hij wat aangenamer aan.

Tenzij er, ter gedachtenis,
'n Portretje in een glazen doosje,
Een engeltje, of een kralen roosje,
Of zo een 'monumentje' is. -

Ach - werd de mens maar eindlijk wijs
En stoorde hij zich aan geen praatjes,
Dan kwam hij - met wat vijgeblaadjes -
Wel weer terug in 't paradijs!

Uit de bundel: Stilte en strijd, 1909

 

21:53 Gepost door Bloodyke | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.